Regeling hulpmiddelen
Regeling hulpmiddelen 1996
| Publicatie: | Van 16 november 1995-nr. VMP-VA-953855, Stcrt.1995, 229 |
| Mutaties: |
Gewijzigd bij regeling van 27-11-2001 (m.i.v. 01-01-2002) Stcrt.232 Z/VU-2229650
Gewijzigd bij regeling van 10-11-2000 (m.i.v. 01-01-2001) Stcrt.221 Z/VU-2113017
Gewijzigd bij regeling van 14-12-1999 (m.i.v. 01-01-2000) Stcrt.242 Z/VU-2024291
Gewijzigd bij regeling van 28-02-1999 (m.i.v. 01-07-1999) Stcrt.087 Z/VU-991229
Gewijzigd bij regeling van 26-02-1999 (m.i.v. 01-04-1999) Stcrt.044 Z/VU-99526
Gewijzigd bij regeling van 03-12-1998 (m.i.v. 01-04-1999) Stcrt.235V Rectificatie
Gewijzigd bij regeling van 03-12-1998 (m.i.v. 01-01-1999) Stcrt.233 VPZ/VU-983658
Gewijzigd bij regeling van 03-06-1998 (m.i.v. 01-01-1999) Stcrt.107 VPZ/VU-981813
Gewijzigd bij regeling van 15-01-1998 (m.i.v. 01-01-1998) Stcrt.057 VPZ/VU-9843
Gewijzigd bij regeling van 18-12-1997 (m.i.v. 01-01-1998) Stcrt.247 VPZ/VU-974617
Gewijzigd bij regeling van 19-03-1997 (m.i.v. 01-01-1997) Stcrt.057 VPZ/VU-971059
Gewijzigd bij regeling van 12-12-1996 (m.i.v. 01-01-1997) Stcrt.243 VPZ/VU-963202
|
De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Gelet op artikel 15 van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering;
Gezien de adviezen van de Ziekenfondsraad (adviezen van 24 november 1994, SGZ/40120/1994, 27 april 1995, nr.662 en 26 oktober 1995, SGZ/44286)
Besluit:
INDEX:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2. Verschaffing in eigendom
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Paragraaf 2. Per categorie hulpmiddelen
Hoofdstuk 3. Bepalingen inzake verschaffing in bruikleen
Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlagen
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder het Besluit: het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering.
Artikel 2
- De aanspraak op hulpmiddelen omvat de verschaffing van een te allen tijde adequaat functionerend hulpmiddel in eigendom van:
- prothesen voor schouder, arm, hand, been of voet, als aangegeven in Artikel 7;
- mammaprothesen als aangegeven in Artikel 8;
- gelaatsprothesen als aangegeven in Artikel 9;
- oogprothesen als aangegeven in Artikel 10;
- orthesen voor romp, arm, been, voet, hoofd of hals als aangegeven in Artikel 11;
- gezichtshulpmiddelen als aangegeven in Artikel 12;
- gehoorhulpmiddelen als aangegeven in Artikel 13;
- verzorgingsmiddelen als aangegeven in Artikel 14;
- hulpmiddelen voor anticonceptionele doeleinden als aangegeven in Artikel 15;
- eenvoudige hulpmiddelen voor de mobiliteit van personen als aangegeven in Artikel 16;
- pruiken als aangegeven in Artikel 17;
- injectiespuiten en toebehoren als aangegeven in Artikel 18;
- elastische kousen als aangegeven in Artikel 19;
- hulpmiddelen bij diabetes als aangegeven in Artikel 20;
- apparatuur voor positieve uitademingsdruk als aangegeven in Artikel 21;
- draagbare, uitwendige infuuspompen met toebehoren als aangegeven in Artikel 22;
- schoenvoorzieningen niet zijnde orthesen als aangegeven in Artikel 23;
- hulpmiddelen voor het toedienen van voeding als aangegeven in Artikel 24;
- allergeenvrije en stofdichte hoezen, als aangegeven in Artikel 25;
- hulpmiddelen voor communicatie, informatievoorziening en signalering als aangegeven in Artikel 26;
- prothethische voorzieningen voor de onder- of bovenkaak als aangegeven in Artikel 26a;
- De aanspraak op hulpmiddelen omvat de verschaffing van een te allen tijde adequaat functionerend hulpmiddel in bruikleen van:
- zuurstofapparaten dan wel zuurstofconcentratoren met toebehoren;
- longvibrators;
- vernevelaars met toebehoren;
- tv-loupes;
- uitwendige elektrostimulators tegen chronische pijn met toebehoren;
- hulpmiddelen voor continue positieve luchtdruk tijden het ademen (CPAP-apparatuur) met toebehoren;
- solo-apparatuur met toebehoren;
- tactiel-leesapparatuur met toebehoren;
- hoortoestel dat kan worden aangesloten op een te implanteren beengeleider (BAHA-hoortoestel);
- botgroeistimulatoren met toebehoren, die werken door elektrostimulatie door een pulserend elektromagnetisch veld of door lage intensiteit pulserend ultrageluid en specifiek ontwikkel zijn voor botgroeistimulatie, met inbegrip van de verschaffing en vervanging van de bijbehorende batterij of accu;
- hulpmiddelen voor de mobiliteit van personen als aangegeven in Artikel 26b;
- inrichtingselementen van woningen als aangegeven in Artikel 26c.
- De aanspraak op hulpmiddelen omvat in voorkomende gevallen wijziging of herstel van hulpmiddelen.
- Het ziekenfonds kan bepalen dat middelen die daarvoor uit oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs in aanmerking komen, in afwijking van het eerste lid, in bruikleen worden verschaft.
-
Indien het ziekenfonds toepassing geeft aan het vierde lid, zijn de artikelen 7 tot en met 26a van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8 vierde lid, 11a vierde lid, 13 vijfde, zesde en zevende lid, 17 derde lid, 19 derde lid, 20 vierde lid, 23 vierde en vijfde lid en 26 zevende lid.
Artikel 3
- Voor het tot gelding brengen van de aanspraak op de verschaffing in eigendom of bruikleen, wijziging of herstel van de in deze regeling genoemde middelen is voorafgaande toestemming van het ziekenfonds vereist. Toestemming voor vervanging van een eerder in eigendom verstrekt hulpmiddel binnen de in deze regeling gestelde termijnen wordt slechts verleend indien de verzekerde niet beschikt over een adequaat hulpmiddel.
- Het ziekenfonds kan toestemming verlenen tot het al dan niet gelijktijdig verschaffen van een tweede exemplaar van een middel indien zulks redelijkerwijs is aangewezen. Het ziekenfonds geeft daarbij aan voor welke uitvoering van het middel de toestemming geldt met inachtneming van de mate waarin het tweede exemplaar wordt gebruikt alsmede van de hieraan verbonden kosten.
- Het ziekenfonds kan de verleende toestemming voor hulpmiddelen als bedoeld in de artikelen 14 eerste lid onder b en e, 18 eerste lid onder b en d, en 24 eerste lid, intrekken dan wel daaraan voorwaarden verbinden.
Hoofdstuk 2. Verschaffing in eigendom
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 4
De verzekerde is gehouden het hem in eigendom verschafte middel goed te verzorgen.
Artikel 5
Indien de aanspraak op enig in deze regeling genoemd' middel of de hoogte van de door de verzekerde verschuldigde bijdrage afhankelijk is gesteld van de leeftijd van verzekerde, wordt diens leeftijd telkens beoordeeld naar het moment waarop de verzekerde zich wendt tot de leverancier.
Artikel 6
(is vervallen)
Paragraaf 2. Per categorie hulpmiddelen
Artikel 7
- De in artikel 2, eerste lid, onder a, bedoelde middelen zijn:
- prothesen voor schouder, arm of hand, al dan niet bekrachtigd;
- algemeen gangbare hulp- en aanzetstukken voor armprothesen;
- prothesen voor been of voet.
- De aanspraak op een in het eerste lid, onder a, bedoeld middel in bekrachtigde uitvoering omvat mede de verschaffing van oplaadinrichting en batterijen.
Artikel 8
- De in artikel 2, eerste lid onder b, bedoelde middelen zijn de gebruiksklaar verkrijgbare mammaprothesen voor uitwendige toepassing.
- Indien het gebruik van een in het eerste lid omschreven middel niet mogelijk dan wel redelijkerwijs niet verantwoord is, bestaat aanspraak op een ten behoeve van de verzekerde afzonderlijk vervaardigde mammaprothese.
- Aanspraak op het in het eerste of tweede lid bedoelde middel bestaat, indien het gebruik ervan is aangewezen ter vervanging van een geheel of nagenoeg geheel ontbrekende borstklier.
- Indien de aanschaffingskosten van hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid hoger zijn dan € 185,50 voor een niet-vloeistofhoudende prothese of € 48,50 voor een vloeistofhoudende prothese, is de verzekerde een bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en het desbetreffende bedrag.
Artikel 9
De in artikel 2, eerste lid, onder c, bedoelde middelen zijn de ten behoeve van de verzekerde afzonderlijk vervaardigde prothesen ter bedekking van het gelaat of een gedeelte ervan, neus en oorschelpen daarbij inbegrepen.
Artikel 10
De in artikel 2, eerste lid, onder d, bedoelde middelen zijn:
- een volledige oog prothese bij het ontbreken van de oog bol;
- een scleraschaal;
- een scleralens, al dan niet voorzien van een ingekleurde iris en pupil en al dan niet met visuscorrectie, bij een ernstig misvormd oog of na traumatische veranderingen van het oog.
Artikel 11
- De in artikel 2, eerste lid, onder e, bedoelde middelen zijn:
- corsetten voor afwijkingen aan de wervelkolom;
- orthopedische beugel-apparatuur;
- verstevigde spalk-, redressie- of correctie-apparatuur voor langdurig gebruik, waarbij de versteviging een functioneel onderdeel vormt van de orthese en een therapeutische meerwaarde heeft ten opzichte van een niet verstevigde orthese, met dien verstande dat slechts aanspraak bestaat op een kniebrace indien sprake is van:
1oeen al dan niet gecombineerd letsel van de knie waarbij de kruis banden of de collateraalbanden zijn gescheurd;
2oeenzijdige gonartrose, voorzover sprake is van een standafwijking van minimaal 10 graden varus/valgusstand;.
- kappen ter bescherming van de schedel;
- tracheacanule;
- stemprothesen of spraakversterkers, al dan niet gecombineerd;
- breukbanden;
- orthopedisch schoeisel en orthopedische voorzieningen aan confectieschoenen, als aangegeven in artikel 11a.
- Geen aanspraak op de in het eerste lid, onder c, bedoelde apparatuur bestaat, indien sprake is van preventief gebruik in verband met het beoefenen van sport.
- Aanspraak op het in het eerste lid, onder d, bedoelde middel bestaat indien er sprake is van een schedeldefect of indien door frequente evenwichts- of bewustzijnsstoornissen grote kans op vallen bestaat
Artikel 11a
- De hulpmiddelen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel h, zijn:
- volledig individueel vervaardigd orthopedisch maatschoeisel;
- volledig individueel vervaardigde orthopedische binnenschoenen;
- semi-orthopedisch schoeisel met individuele aanpassing;
- orthopedische voorzieningen aan confectieschoenen, tenzij het uitsluitend een verhoging betreft van de gehele buitenzool van minder dan 3 cm.
- Aanspraak op de in het eerste lid genoemde hulpmiddelen bestaat indien sprake is van een indicatie, vermeld in bijlage 1 van deze regeling, en de verzekerde redelijkerwijs niet kan volstaan met confectieschoenen.
- Aanspraak op de in het eerste lid, onder a, bedoelde hulpmiddelen bestaat indien niet kan worden volstaan met semi-orthopedisch schoeisel of een voorziening aan confectieschoenen.
- De verzekerde is voor hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid, onder a en c, een bijdrage verschuldigd van € 112,- per paar. Indien de verzekerde jonger is dan 16 jaren, is hij € 56,00 per paar verschuldigd.
Artikel 12
- De in artikel 2, eerste lid, onder f, bedoelde middelen zijn:
- brilleglazen;
- contactlenzen;
- bandagelenzen zonder visuscorrigerende werking;
- bijzondere optische hulpmiddelen, bestemd voor rechtstreekse waarneming, met inbegrip van montuur, statief of verlichting indien deze met het hulpmiddel één geheel vormen.
- Aanspraak op middelen als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, bestaat slechts indien een indicatie bestaat als vermeld in bijlage 2, onder 1, van deze regeling en de aanschaf plaats vindt binnen 1 2 maanden na een eerdere aanschaf van brilleglazen of contactlenzen.
- Aanspraak op een middel als bedoeld in het eerste lid, onder c, bestaat indien er sprake is van een indicatie als vermeld in bijlage 2, onder II, van deze regeling.
- Aanspraak op een middel als bedoeld in het eerste lid, onder d, bestaat indien de verzekerde een dusdanig verlies van gezichtsvermogen heeft dat redelijkerwijs niet kan worden volstaan met een middel als bedoeld in het eerste lid, onder a of b.
Artikel 13
- De in artikel 2, eerste lid, onder g, bedoelde middelen zijn:
- electro-akoestische hoortoestellen voor persoonlijk gebruik, in gewone dan wel bijzondere uitvoering, bestemd om op of aan het menselijk lichaam te worden gebezigd ter verbetering van een gestoord gehoor, alsmede de zogenaamde gehoorlepels of gehoorslangen die het geluid via mechanische weg versterken, waarbij als bijzondere uitvoering van een electro-akoestisch hoortoestel wordt beschouwd een;
- cros-uitvoering;
- bicros-uitvoering;
- beengeleider-uitvoering;
- uitvoering met één ingebouwde microfoon en twee aansluitingen;
- uitvoering met één uitwendige microfoon en één aansluiting;
- uitvoering met één ingebouwde microfoon, één uitwendige microfoon en één aansluiting;
- ringleidingen, bestaande uit snoer en versterker met eventueel een tafelmicrofoon dan wel infrarood-apparatuur voor geluidsoverdracht, bestaande uit een ontvanger en een zender, al dan niet met inductiespoel of hoofdtelefoon, of in kinbeugel-uitvoenng, eveneens met één tafelmicrofoon;
- maskeerders ter behandeling van ernstig oorsuizen.
- De aanspraak op de in het eerste lid, onder a, bedoelde middelen bestaat indien er sprake is van een indicatie als vermeld in bijlage 3, onder I, van deze regeling en omvat mede de eerste verschaffing van de bij een toestel behorende batterijen of accu’s, alsmede de verschaffing en vervanging van oorstukjes.
- De aanspraak op de in het eerste lid, onder b, bedoelde middelen bestaat, indien er sprake is van een indicatie als vermeld in bijlage 3, onder II, van deze regeling en omvat mede de eerste verschaffing van de bij infrarood-apparatuur behorende batterijen of accu's.
- De aanspraak op de in het eerste lid, onder c, bedoelde middelen omvat mede de eerste verschaffing van de bij een maskeerder behorende batterijen of accu’s, alsmede de verschaffing en vervanging van oorstukjes.
- Indien de aanschaffingskosten van een hoortoestel als bedoeld in het eerste lid, onder a, hoger zijn dan € 467,50 en een toestel voor de eerste keer wordt verstrekt, dan wel korter dan 6 jaar geleden aan de verzekerde is verstrekt, is de verzekerde van zestien jaren of ouder een bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dit bedrag.
- Indien de aanschaffingskosten van een hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid, onder a, hoger zijn dan € 558,-, en een toestel reeds tussen 6 en 7 jaren geleden aan de verzekerde is verstrekt, is de verzekerde van zestien jaren of ouder een bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dit bedrag, met dien verstande dat voor een verzekerde van jonger dan zestien jaren de gebruiksduur van zeven jaren of langer geleden niet geldt.
- Indien de aanschaffingskosten van een hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid, onder a, hoger zijn dan € 649,-, en een toestel 7 jaren of langer geleden aan de verzekerde is verstrekt, is de verzekerde een bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dit bedrag.
- Indien de aanschaffingskosten van hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid onder c, hoger zijn dan € 191,50 is de verzekerde een bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dat bedrag.
- Indien sprake is van een uitvoering als bedoeld in artikel 13, zesde lid, wordt het bedrag genoemd in het elfde, twaalfde en dertiende lid vermeerderd met € 312,50.
- Als sprake is van een hoortoestel in cros-, bicros- of beengeleideruitvoering, opgenomen in een brilmontuur, wordt het bedrag genoemd in het vijfde, zesde en zevende lid vermeerderd met € 60,50.
Artikel 14
- De in artikel 2, eerste lid, onder h, bedoelde middelen zijn:
- urine-opvangzakken met de noodzakelijke hulpstukken ter bevestiging aan het been of bed;
- voorzieningen voor stomapatiënten als aangegeven in artikel 14a;
- stompkousen;
- catheters, al dan niet met toebehoren;
- incontinentie-absorptiematerialen als aangegeven in artikel 14b, alsmede de noodzakelijke voorlichting aan de verzekerde over het doelmatig gebruik van deze materialen;
- spoelapparatuur voor anaalspoelen, al dan niet met toebehoren;
- drukpakken ter behandeling van brandwonden.
- Aanspraak op de in het eerste lid, onder f, bedoelde hulpmiddelen bestaat indien sprake is van ernstige problemen met de ontlasting ten gevolge van anatomische of functionele afwijkingen van de darm of anus dan wel de zenuwvoorziening daarvan.
Artikel 14a
De middelen bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder b, zijn:
- systemen ter bevestiging op een stoma voor de opvang van faeces of urine, bestaande uit opvangzakjes en kleefplaten, de daarbij benodigde hulp- en verbindingsstukken, opvulmaterialen, stomapluggen, stomapleisters en indikmiddelen;
- spoelapparatuur met toebehoren;
- noodzakelijke huidbeschermende middelen, voor zover daarop niet reeds aanspraak bestaat ingevolge de Regeling farmaceutische hulp 1996;
- afdekpleisters en catheters bestemd voor een continentstoma;
- stoma-beschermers voor gelaryngectomeerden, niet zijnde verbandmiddelen.
Artikel 14b
- De middelen bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder e, zijn;
- wegwerpinlegluiers voor incontinentie;
- wegwerpluierbroeken voor incontinentie;
- wasbare inlegluiers en luierbroeken voor incontinentie;
- anaaltampons;
- bedbeschermende onderleggers met een afmeting van ten minste 60 x 60 cm.
- Aanspraak op de in het eerste lid, onder a, b, en c, bedoelde middelen bestaat vanaf de leeftijd van vijf jaren en indien sprake is van;
- incontinentie voor faeces die langer bestaat dan twee weken;
- incontinentie voor urine die langer bestaat dan twee maanden;
- ter ondersteuning van bekkenbodemspieroefenjngen of blaastraining ten laste van de ziekenfondsverzekering voor de behandeling van urine-incontinentie voor de duur van deze therapie;
- ziektebeelden waarvan mag worden aangenomen dat incontinentie niet vanzelf geneest of waarbij bekkenbodemspieroefeningen of blaastraining niet zullen helpen.
- In afwijking van het tweede lid bestaat aanspraak op de in het eerste lid, onder a, b en c, bedoelde middelen vanaf de leeftijd van drie jaren indien sprake is van een niet-fysiologische vorm van incontinentie.
- Geen aanspraak bestaat op de in het eerste lid, onder a, b en c, genoemde middelen indien sprake is van enuresis nocturna.
- Aanspraak bestaat op de in het eerste lid, onder e, genoemde middelen indien het verlies van bloed, exsudaat, vocht, urine of faeces dusdanige hygiënische problemen oplevert dat deze slechts door het gebruik van bedbeschermende onderleggers kunnen worden ondervangen.
Artikel 15
De in artikel 2, eerste lid, onder i, bedoelde middelen zijn;
- pessaria;
- koperhoudende spiraaltjes.
Artikel 16
- De in artikel 2, eerste lid, onder j, bedoelde middelen zijn:
- krukken;
- loophul pen met drie of vier poten;
- looprekken;
- rollators;
- kruipsteunen;
- loopwagens;
- serveerwagens;
- blindentaststokken.
- Aanspraak bestaat op de in het eerste lid bedoelde middelen indien de verzekerde langdurig op deze middelen is aangewezen om te kunnen lopen en niet volstaan kan worden met een eenvoudiger hulpmiddel.
- Aanspraak bestaat op de in het eerste lid, onder a, b, e en f, bedoelde middelen indien sprake is van functiestoornissen van de onderste extremiteiten, al dan niet gepaard gaande met defecten.
Artikel 17
- De in artikel 2, eerste lid, onder k, bedoelde middelen zijn haarwerken ter gehele of gedeeltelijke vervanging van het hoofdhaar.
- De aanspraak op de in het eerste lid bedoelde middelen bestaat indien de verzekerde van een blijvende of langdurige, gehele of gedeeltelijke kaalhoofdigheid zodanige psychische bezwaren ondervindt, dat het gebruik van haarwerk redelijkerwijs is aangewezen.
- Indien de aanschaffingskosten van hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid, hoger zijn dan € 260,00 is de verzekerde een bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dat bedrag.
Artikel 18
- De in artikel 2, eerste lid, onder 1, bedoelde middelen zijn injectiespuiten dan wel injectiepennen, met toebehoren,
- Aanspraak op verschaffing van de in het eerste lid bedoelde middelen bestaat indien sprake is van aandoeningen die een langdurig gebruik van deze middelen noodzakelijk maken.
- Op de in het eerste lid bedoelde middelen in een aan een handicap aangepaste uitvoering bestaat slechts aanspraak, indien de verzekerde ten gevolge van een ernstige motorische handicap dan wel een verminderd gezichtsvermogen redelijkerwijs niet kan volstaan met een injectiespuit of -pen in een niet aangepaste uitvoering.
Artikel 19
- Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder m, bestaat aanspraak op:
- tenminste tot de knie strekkende vlakbrei kousen met elastische draden, die bij een cirkelvormige omvang van 21 centimeter van het been vlak boven de enkel een druk van tenminste 33 hectopascal per vierkante centimeter uitoefenen, alsmede op het aan meten van de kous;
- tenminste tot de knie strekkende rondbreikousen met elastische draden, die bij een cirkelvormige omvang van 21 centimeter van het been vlak boven de enkel een druk van tenminste 33 hectopascal per vierkante centimeter uitoefenen, tot het maximum als aangegeven in bijlage 4, alsmede op het aanmeten van de kous;
- elastische armkousen, al dan niet met handstuk die bij een theoretische cirkelvormige omvang van 21 centimeter een druk van tenminste 33 hectopascal per vierkante centimeter uitoefenen, alsmede op het aanmeten van de kous.
- Geen aanspraak op de in het eerste lid bedoelde middelen bestaat in geval van nabehandeling van het verwijderen van spataderen.
- Voor de in het eerste lid, onder b, bedoelde middelen is de verzekerde een bijdrage verschuldigd ter hoogte van de aanschaffingskosten van de middelen uitgezonderd de aanmeetvergoeding, verminderd met de maximumvergoeding, vermeld in bijlage 4 bij deze regeling.
Artikel 20
- De in artikel 2, eerste lid, onder n, bedoelde middelen zijn;
- apparatuur voor het zelf afnemen van bloed;
- de bij de onder a bedoelde apparatuur behorende lancetten;
- bloedglucose-testmeter, voor het zelf bepalen van het glucosegehalte in bloed, onder de voorwaarde dat aanspraak bestaat op teststrips;
- teststrips behorend bij de op grond van onderdeel c verstrekte meter, alsmede de noodzakelijke voorlichting over doelmatig gebruik;
- draagbare, uitwendige infuuspompen met toebehoren.
- 2 Aanspraak bestaat op de in het eerste lid genoemde middelen indien sprake is van suikerziekte die met insuline wordt behandeld.
- De in het eerste lid, onder c en e, bedoelde middelen omvatten tevens de bij de eerste verschaffing behorende batterijen en oplaadapparatuur, maar niet de vervanging daarvan.
- lndien de aanschaffingskosten van een hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid, onder c, hoger zijn dan € 52,50, is de verzekerde een bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dat bedrag.
- Op de in het eerste lid, onder a en c, bedoelde middelen in een aan een handicap aangepaste uitvoering bestaat aanspraak indien de verzekerde redelijkerwijs niet kan volstaan met een middel in een niet aangepaste uitvoering.
- Aanspraak bestaat op het in het eerste lid, onder e, bedoelde hulpmiddel indien sprake is van een indicatie, vermeld in bijlage 5 van deze regeling.
Artikel 21
De in artikel 2, eerste lid, onder 0, bedoelde middelen zijn aangezichtsmaskers, dan wel een mondstuk, met aanzetstukken bestaande uit een weerstandsbuis en een, in- en uitademingsweg scheidend, ademventiel. Deze middelen dienen om bij het uitademen een positieve druk te bewerkstelligen ter bevordering van de sputumproduktie.
Artikel 22
- De aanspraak op de in artikel 2, eerste lid, onder q bedoelde draagbare, uitwendige infuuspompen met toebehoren omvat tevens de bij de eerste verschaffing behorende batterijen en oplaadapparatuur, maar niet de vervanging daarvan.
- Aanspraak op de verstrekking van de in het eerste lid bedoelde middelen bestaat, indien sprake is van continue parenterale toediening in de thuissituatie van een geneesmiddel waarop aanspraak bestaat ingevolge de Regeling farmaceutische hulp 1996, met uitzondering van insuline.
Artikel 23
- De in artikel 2, eerste lid, onder q, bedoelde middelen zijn:
- verbandschoenen;
- allergeenvrije schoenen.
- 2 Aanspraak op de in het eerste lid, onder a, bedoelde middelen bestaat indien er sprake is van een indicatie als vermeld in bijlage 7 bij deze regeling.
- 3 Aanspraak op de in het eerste lid, onder b, bedoelde middelen bestaat, indien er sprake is van een door de huidarts vastgestelde allergie.
- 4 Indien de aanschaffingskosten van hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid, onder a, hoger zijn dan € 134,00 is de verzekerde een bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dat bedrag.
- 5 De verzekerde is voor hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid, onder b, een bijdrage verschuldigd van € 112,00 per paar. Indien de verzekerde jonger is dan zestien jaren is hij € 56,00 verschuldigd. Indien de aanschaffingskosten hoger zijn dan € 286,00 onderscheidenlijk € 230,00 is de verzekerde tevens een bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dat bedrag.
Artikel 24
- De in artikel 2, eerste lid, onder r, bedoelde middelen zijn:
- niet-klinisch ingebrachte sonden met toebehoren;
- uitwendige voedingspompen met toebehoren;
- uitwendige toebehoren, benodigd bij de toediening van parenterale voeding;
- eetapparaten.
- De verschaffing van de in het eerste lid bedoelde middelen omvat niet de kosten van de voeding of van genees- of verbandmiddelen.
- De verschaffing van de in het eerste lid, onder b en d, bedoelde middelen omvat tevens de bij de eerste aanschaffing behorende batterijen of accu's en oplaadapparatuur.
- Aanspraak op de in het eerste lid bedoelde middelen bestaat, indien het gebruik ervan om medische redenen is aangewezen.
Artikel 25
- De in artikel 2, eerste lid, onder 5 bedoelde hulpmiddelen zijn allergeenvrije en stofdichte matrashoezen, dekbedhoezen en kussenhoezen.
- Aanspraak bestaat op de in het eerste lid bedoelde middelen, indien uit de resultaten van laboratoriumonderzoek of een huidtest blijkt dat er sprake is van een allergie voor uitwerpselen van huisstofmijt, inclusief de overige in de slaapkamer aanwezige bedden.
Artikel 26
- De in artikel 2, eerste lid, onder t, bedoelde middelen zijn:
- computers met bijbehorende apparatuur voor lichamelijk gehandicapten;
- schrijfmachines voor gehandicapten;
- rekenmachines in een uitvoering, aangepast aan een lichamelijke handicap;
- invoer- en uitvoerapparatuur alsmede accessoires voor computers, schrijfmachines en rekenmachines aangepast aan een lichamelijke handicap;
- computerprogrammatuur voor grootlettersystemen voor visueel gehandicapten;
- bladomslagapparatuur;
- cassette- en memorecorders voor visueel gehandicapten;
- telefoons en telefoneerhulpmiddelen:
- hulpmiddelen voor het kiezen van telefoonnummers;
- telefoonhoornouders;
- met omgevingsbesturingsapparatuur te bedienen telefoons;
- teksttelefoons dan wel fax-apparatuur;
- spraakvervangende hulpmiddelen bij een ernstige spraakhandicap;
- signaleringsapparatuur en alarmeringssystemen:
- wek- en waarschuwingsinstallaties ten behoeve van auditief gehandicapten;
- persoonlijke alarmeringsapparatuur voor lichamelijk gehandicapten,
- Aanspraak op de in het eerste lid, onder a, bedoelde middelen bestaat indien de lichamelijk gehandicapte voor communicatie of bediening van huishoudelijke hulpmiddelen geheel of nagenoeg geheel op deze middelen is aangewezen.
- Aanspraak op de in het eerste lid, onder b, bedoelde middelen bestaat indien de lichamelijk gehandicapte voor het onderhouden van maatschappelijke kontakten nagenoeg op deze middelen is aangewezen,
- Aanspraak op de in het eerste lid, onderdeel h, onder 4, bedoelde middelen bestaat, indien er sprake Is van een indicatie als vermeld in bijlage 8.
- Aanspraak op de in het eerste lid, onderdeel j, onder 1, bedoelde middelen bestaat, indien er sprake is van een indicatie als vermeld in bijlage 9.©TH
- Aanspraak op de in het eerste lid, onderdeel j, onder 2, bedoelde middelen bestaat, indien de lichamelijk gehandicapte in een verhoogde risicosituatie verkeert.
- Indien de aanschaffingskosten van fax-apparatuur als bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, onder 4, hoger zijn dan € 93,50 is de verzekerde een bijdrage verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en dat bedrag.
Artikel 26a
- De in artikel 2, eerste lid, onder u, bedoelde middelen zijn uitneembare volledige prothetische voorzieningen voor de boven- of de onderkaak.
- Op het in het eerste lid bedoelde middel bestaat geen aanspraak indien de verzekerde voor de verstrekking daarvan aanspraak heeft op grond van artikel 4 of 8 van de Regeling tandheelkundige hulp ziekenfondsverzekering dan wel aanspraak heeft op vergoeding van de kosten daarvan op grond van artikel 3, 5 of 7 van het Uitvoeringsbesluit vergoedingen particulier verzekerden.
- De verzekerde is voor het middel, bedoeld in het eerste lid, een bijdrage in de kosten verschuldigd ter grootte van het verschil tussen de aanschaffingskosten en het bedrag dat 75% van de aanschaffingskosten bedraagt.
Artikel 26b
- De in artikel 2, tweede lid, onder k, bedoelde hulpmiddelen zijn:
- stoelen voorzien van een trippelfunctie;
- loopfietsen.
- Aanspraak bestaat op de middelen, bedoeld in het eerste lid, indien de verzekerde langdurig op deze middelen is aangewezen en sprake is van een indicatie als bedoeld in het derde en vierde lid.
- Aanspraak bestaat op de in het eerste lid, onder a, bedoelde middelen, indien de verzekerde zich binnenshuis alleen zittend kan verplaatsen en niet beschikt over een in het huis bruikbare rolstoel of indien de verzekerde aanspraak kan maken op een hulpmiddel als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder c en d, maar dit niet kan gebruiken vanwege een gestoorde hand- of armfunctie of zich niet zonder gebruik van de handen staande kan houden.
- Aanspraak bestaat op de in het eerste lid, onder b, bedoelde middelen, indien sprake is van functiestoornissen van de onderste extremiteiten, al dan niet gepaard gaande met defecten en de verzekerde niet kan volstaan met een eenvoudiger loophulpmiddel.
Artikel 26c
- De in artikel 2, tweede lid, onder l, bedoeld middelen zijn:
- aan functiebeperkingen aangepaste tafels;
- aan functiebeperkingen aangepaste stoelen, voorzien van een of meer van de volgende functies of aanpassingen:
- sta-opsysteem, indien de verzekerde niet zelfstandig kan opstaan uit een stoel met een optimale zithoogte;
- specifieke polstering;
- abductiebalk;
- arthrodese-zitting;
- pelottes voor zijwaartse steun;
- anti-decubituszitkussens;
- bedden in speciale uitvoering met inbegrip van daarvoor bestemde matrassen;
- anti-decubitusbedden, -matrassen, en overtrekken ter behandeling en ter preventie van decubitus;
- dekenbogen, onrusthekken, bedgalgen, papegaaien en portalen;
- bedverkorters en verlengers.
- Aanspraak bestaat op de in het eerste lid bedoelde middelen, indien de verzekerde langdurig op het gebruik van deze middelen is aangewezen.
- Aanspraak bestaat op de in het eerste lid, onder b, bedoelde middelen, indien sprake is van problemen bij het zitten, gaan zitten of met het opstaan en niet kan worden volstaan met een stoel die voldoet aan de normale ergonomische eisen. Geen aanspraak bestaat indien uitsluitend sprake is van vetzucht, reuzen- of dwerggroei.
- Op de in het eerste lid, onder b, bedoelde hulpmiddelen in een uitvoering met zwenkwielen, beremming of hoog/ laag-mechanisme bestaat aanspraak indien het hulpmiddel op diverse plaatsen of met een verschillende werkhoogte moet worden gebruikt.
- Aanspraak bestaat op de in het eerste lid, onder d tot en met g, bedoelde middelen, indien het gebruik strekt tot behoud van de zelfredzaamheid en met de verschaffing opname in een instelling wordt voorkomen, dan wel indien sprake is van een indicatie voor verpleging.
Hoofdstuk 3. Bepalingen inzake verschaffing in bruikleen
Artikel 27
Indien een middel in bruikleen wordt verschaft, kan het ziekenfonds van de verzekerde een redelijke waarborgsom vragen. Over de waarborgsom wordt door het ziekenfonds geen rente vergoed.
Artikel 28
- De verschaffing in bruikleen omvat tevens vergoeding van de kosten van vervoer van het middel naar en van de woning van de verzekerde, van het regelmatig technisch onderhoud ervan, alsmede van de voor het gebruik, Ontsmetting en reiniging van de apparatuur benodigde chemicaliën,
- De verschaffing in bruikleen van de hulpmiddelen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder h, omvat tevens vergoeding van de kosten, verbonden aan de gebruikstraining die noodzakelijk is om doelmatig te kunnen omgaan met het hulpmiddel.
Artikel 29
- De stroomkosten van de in artikel 2, tweede lid, onder a, bedoelde zuurstofconcentrator komen voor rekening van het ziekenfonds.
- Aanspraak op de in artikel 2, tweede lid, onder f, bedoelde hulpmiddelen bestaat indien er sprake is van een indicatie als vermeld in bijlage 10 bij deze regeling.
- Aanspraak op de in artikel 2, tweede lid, onder g en h, bedoelde hulpmiddelen bestaat, indien er sprake is van een indicatie als vermeld in bijlage 12 onderscheidenlijk 13 bij deze regeling.
- Aanspraak op het in artikel 2, tweede lid, onder i, bedoelde hulpmiddel bestaat, indien sprake is van een indicatie als vermeld in bijlage 3, onder 1, en een luchtgeleidingstoestel redelijkerwijs niet kan worden aangepast, met dien verstande dat de verzekerde slechts aanspraak heeft op één hoortoestel van dit type.
- Aanspraak bestaat op de in artikel 2, tweede lid, onder j, bedoelde middelen, indien sprake is van een botbreuk die na 6 maanden nog niet is genezen en botgroeistimulatie substitueert voor een chirurgische ingreep.
Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 30
(vervallen)
Artikel 31
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1januari 1996.
Artikel 32
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling hulpmiddelen 1996.
Deze regeling zal met de bijbehorende toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Minister voornoemd,
E. Borst-Eilers
|